Nabestaanden van Nederlandse SS-ers die tijdens de oorlog aan het Oostfront vochten, onthullen een gedenksteen in Estland. Een controversieel laatste eerbetoon in West-Europese landen, dat zich beter schikt in Estlands blik op de geschiedenis.
Was het de geoliede 'anti-bolsjewistische' propaganda van de Duitsers, waren het nationaal-socialistische sympathieën of was het oprechte angst voor het opstomende 'Russische gevaar'? Enkele duizenden jongemannen - soms jonger dan 18 jaar - meldden zich tijdens de oorlog vrijwillig bij de Waffen-SS om mee te vechten aan het Oostfront. Veel niet-Duitse vrijwilligers belandden halverwege de oorlog in de linies rond Leningrad, ten noorden van Estland. Het Nederlandse 'General Seyffardt'- regiment werd in de zomer van 1944 door de Russen uit de huidige Estse grensplaats Narva verdreven en gedecimeerd. Het vredig wuivende helmgras in het drassige land rondom het destijds compleet verwoeste Narva vormt de onvermoede laatste rustplaats voor enkele honderden Nederlandse SS-ers.
Gedenksteen
Niet ver hiervandaan wordt Nederlandse nabestaanden - ruim 62 jaar later - de gelegenheid geboden een gedenksteen te onthullen ter nagedachtenis aan de gesneuvelde Oostfrontsoldaten en verpleegsters die, volgens de inscriptie op de gedenksteen, 'trouw hun plicht vervulden'. "Dat moet u zien in samenhang met de eed die ze afgelegd hebben. Namelijk om te vechten mét Duitsland tégen het grote gevaar wat toen uit Rusland kwam", zegt initiatiefnemer Gerrit Bothof (76) met nadruk. Voor Bothof, die zelf een neef verloor aan het Oostfront, biedt het monument nabestaanden de mogelijkheid te rouwen. 'Het is voor hen nog altijd onmogelijk om in Nederland tot een goeie rouwverwerking te komen. De Nederlandse samenleving is helaas erg hard geweest tegenover familieleden van Waffen SS-militairen.'
Een dergelijke gedenkplaats is in Nederland nooit denkbaar geweest. Maar in Estland wordt anders aangekeken tegen mensen die hier in de Tweede Wereldoorlog als SS-ers zijn gesneuveld. Zij vochten hier immers tegen de latere bezetters. Voor de Esten was de oorlog vooral een strijd tegen het Rode Leger, zegt Cees Kleijn, die historisch onderzoek doet naar de strijd tussen Russen en Duitsers in dit deel van Estland. "Toen de Esten de kans kregen om de wapens op te nemen de tegen Russen, waren Nederlanders, en alle andere SS-vrijwilligers welkom. Zij worden hier nog altijd gezien als bondgenoten in de strijd voor een onafhankelijk Estland."
Russische minderheid
Volgens Gerrit Bothof kostte het zodoende geen moeite om toestemming te krijgen voor de plaatsing van het monument. "Er staan hier immers ook al monumenten voor Vlamingen, Noren, Denen, Belgen." Nu dus ook een Nederlandse, alsmede een Waalse gedenksteen, die zaterdag gelijktijdig werden onthuld tijdens de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst voor SS-soldaten in Estland. De Esten lijken de stenen net zo welkom te heten als de vrijwilligersregimenten indertijd. Mogelijk heeft Estland zijn eigen agenda voor deze gastvrijheid. De gedenkplaats bevindt zich feitelijk in Russisch gebied. Estland heeft nog steeds een ongewenste Russische minderheid van meer dan 25 procent, waarvan het overgrote deel woonachtig in deze grensstreek.
"De gedenkstenen zijn eigenlijk een provocatie voor de Russen", zegt Cees Kleijn. De aanwezigheid van enkele tientallen nationalistische jongeren met Estse vlaggen en getatoeëerde Runentekens tijdens de herdenking, toont het probleem: "Het zou goed kunnen dat deze plaats op termijn vooral een ontmoetingsplaats zal worden voor Estse ultranationalisten. Je kunt je afvragen wat hier dan voor redevoeringen zullen worden gehouden. Dan zou deze plaats nog wel eens een heel ander karakter kunnen krijgen dan het vooral op de oorlog gerichte herdenkingskarakter dat het nu heeft."
Meer over: Cees Kleijn, Estland, Gerrit Bothof, SS-monument
